Targeted release verdwijnt: waar laat je straks je testgroep?

Veel organisaties hebben één plek waar ze zien wat Microsoft met SharePoint en Teams gaat doen voordat de rest van de organisatie het ziet. Een handvol mensen in Targeted release. De functioneel beheerder, iemand van IT, in het beste geval ook een redacteur.

Die constructie verdwijnt. In januari 2027 stopt Microsoft met Targeted release voor Microsoft 365-diensten. De eerste harde datum ligt dichterbij: vanaf november 2026 kun je niemand meer toevoegen aan die groep, er niemand meer uit halen en de instelling niet meer wijzigen.

Er komt iets voor in de plaats. Alleen werkt het precies andersom dan je gewend bent, en dat is het stuk waar het in de praktijk misgaat.

Wat er verandert en wanneer

Microsoft stapt over op een model met drie release-audiences. Targeted release past daar niet meer in en gaat eruit.

Nu. Kijk in het admincentrum wie er in Targeted release zit en bepaal welke voorkeur daarvoor in de plaats komt.

November 2026. Wijzigingen aan Targeted release-toewijzingen zijn niet meer mogelijk. Tegelijk verschijnt er een nieuw, samengevoegd scherm voor release-voorkeuren waarin je Frontier, Standard release en Deferred release op één plek beheert. Het huidige scherm voor Standard en Deferred verdwijnt op dat moment.

Januari 2027. Targeted release wordt uitgezet. De toewijzingen worden niet meer gebruikt voor het uitleveren van functies. Iedereen die erin zat, valt terug op de voorkeur die je voor algemene beschikbaarheid hebt ingesteld.

Het raakt de diensten die nu via Targeted release uitleveren: het Microsoft 365-admincentrum, Microsoft Teams, OneDrive, SharePoint Online, Outlook op het web, de nieuwe Outlook voor Windows, Office voor het web en enkele onderdelen van Exchange Online.

De drie opties die ervoor in de plaats komen

Frontier. Toegang tot functies voordat ze algemeen beschikbaar zijn. Bedoeld voor experimenteren, valideren en feedback geven, niet voor processen waar je bedrijf op draait. Het gaat inmiddels om AI- en niet-AI-functies.

Standard release. Je krijgt functies op het moment dat ze algemeen beschikbaar worden. Dit is de standaardinstelling en voor de meeste organisaties het uitgangspunt.

Deferred release. Je krijgt grote wijzigingen ongeveer 30 dagen later dan de Standard-groep. Bedoeld voor organisaties die tijd nodig hebben voor validatie of interne communicatie.

Bij Deferred hoort een belangrijke beperking. Het geldt niet voor alles. Alleen voor wijzigingen die Microsoft aanmerkt als grote wijziging én als deferred-capable. In je Message Center herken je die aan twee labels: Major update en Deferred feature. Een kleine aanpassing in de paginabewerker van SharePoint valt daar doorgaans buiten en komt gewoon binnen op het GA-moment.

Wie Deferred leest als “alles komt bij ons een maand later” komt bedrogen uit.

De omkering die je moet doorhebben

Targeted release zette een kleine groep vóór de organisatie. De rest liep op het normale tempo mee.

Het nieuwe model kent die vooruitgeschoven groep niet bij algemene beschikbaarheid. Je bereikt hetzelfde effect door de beweging om te draaien: je zet de organisatie áchter de GA-datum met Deferred release, en haalt je testgroep naar voren door die juist op Standard release te zetten.

Microsoft beschrijft die route zelf in de documentatie:

Huidige instelling Aanbevolen nieuwe instelling
Targeted release voor de hele organisatie Standard release, of Deferred release als je meer voorbereidingstijd wilt
Targeted release voor geselecteerde gebruikers Tenant op Deferred release, en je validatie-, support- of pilotgebruikers toevoegen aan Standard release
Standard release voor iedereen Niets doen, dit is de standaard

De tweede rij is degene die telt voor de meeste intranetorganisaties. Het is ook de rij waar je je kunt vergissen. Zet je je pilotgroep uit gewoonte op Deferred, dan loopt juist die groep achter en zien de collega’s die niets hoeven te testen de verandering als eerste.

Wat hier níet onder valt

De updatekanalen van Microsoft 365 Apps, de updatekanalen van Windows en het Microsoft 365 Insider-programma veranderen niet. Die staan los van deze wijziging en houden hun eigen instellingen.

Wat gebeurt er als je niets doet?

Microsoft past je instellingen niet automatisch aan. Tot de retirement blijven je Targeted release-gebruikers gewoon functies ontvangen. Daarna vallen ze terug op je ingestelde voorkeur voor algemene beschikbaarheid. Heb je die nooit ingesteld, dan is dat Standard release.

Technisch gaat er dus niets stuk. Praktisch ben je in januari je vooruitblik kwijt zonder dat iemand ergens op heeft geklikt. Het eerste wat je ervan merkt, is een collega die vraagt waarom de knop ineens ergens anders staat.

Waarom dit ook op het bureau van communicatie ligt

Het is verleidelijk om dit af te doen als een instelling in het admincentrum. Technisch klopt dat.

De vraag eronder is wie er in die validatiegroep hoort. Bij veel organisaties zit daar IT in en de intranetredactie niet. Terwijl de redactie degene is die als eerste merkt dat een webpart anders oogt, dat de nieuwsbewerker een knop heeft verplaatst of dat een sjabloon er op mobiel anders uitziet. Die signalen komen zelden uit een testscript.

Nu je die groep toch opnieuw moet inrichten, is dit het natuurlijke moment om die samenstelling tegen het licht te houden. Dat hoeft niet te betekenen dat de redactie erin gaat. Het betekent wel dat het een keuze wordt in plaats van een erfenis.

Er zit nog een tweede communicatievraag in. Wie vertelt de organisatie dat er iets verandert in de werkplek, en op basis van welk signaal? Als je testgroep straks op Standard zit en de rest op Deferred, heb je dertig dagen om dat te doen. Dat venster is alleen bruikbaar als iemand het Message Center leest en vertaalt naar gewone taal.

Wat je nu kunt doen

  1. Kijk wie er nu in Targeted release zit. In het Microsoft 365-admincentrum: Instellingen > Org-instellingen > Organisatieprofiel > Releasevoorkeuren.
  2. Bepaal welke rij uit de tabel hierboven op jou van toepassing is en stel de bijbehorende voorkeur in onder Copilot > Instellingen > Alles weergeven > Copilot Release preferences: General availability.
  3. Beslis of je iemand toegang wilt geven vóór algemene beschikbaarheid en richt Frontier in onder Copilot > Instellingen > Alles weergeven > Copilot Frontier.
  4. Werk je eigen documentatie en processen bij. Overal waar “Targeted release” staat in een werkinstructie, een beheerhandboek of een wijzigingsprocedure, klopt die verwijzing straks niet meer.
  5. Laat het de mensen weten die het raakt. Changemanagement, support, security en compliance, en je pilotgroep zelf.

Punt 1 tot en met 3 zijn werk van een halfuur. Punt 4 en 5 zijn het werk dat blijft liggen.

Tot slot

Dit is geen spannende wijziging. Er verdwijnt geen functionaliteit en er gaat niets kapot. Het is een instelling die verhuist en een logica die omdraait.

Juist daarom is het het soort wijziging dat in november langs iedereen heen gaat en in januari ineens opvalt. De groep die altijd een stapje voorliep, loopt dan gewoon mee. Dat is prima als je het zo hebt gekozen, en vervelend als het je overkomt.

Loop je hier tegenaan bij het inrichten? Laat het weten, ik denk graag mee.


Bronnen: Plan for the retirement of Targeted release in Microsoft 365, Configure new Standard and Deferred release options for Microsoft 365, Get started with the Microsoft Frontier Program en Frequently asked questions about modern release options op Microsoft Learn. Het bijbehorende Message Center-bericht staat in je eigen tenant.

HTML-pagina’s in SharePoint: wat kan wel en wat niet?

Vanaf oktober kun je in SharePoint een pagina publiceren die helemaal uit HTML bestaat. Je laat Copilot hem ontwerpen, of je uploadt een HTML-bestand dat al klaarligt. SharePoint toont het resultaat als gewone pagina, naast je bestaande sitepagina’s.

In augustus schreef ik er al kort over op LinkedIn, toen er alleen nog een roadmap-item was. Er bleven toen vragen open. Wie bewaakt de huisstijl? Wat gebeurt er met scripts? Wie mag zo’n pagina plaatsen? Inmiddels heeft Microsoft de documentatie gepubliceerd en zijn de meeste antwoorden bekend.

In dit artikel zet ik ze op een rij: wat het is, hoe je het aanzet, wat er wel en niet kan, en waar ik als beheerder of communicatieadviseur op zou letten.

Wat is een HTML-pagina in SharePoint?

Een HTML-pagina is een los HTML-bestand in de bibliotheek Sitepagina’s dat SharePoint als pagina weergeeft. De SharePoint-balk met navigatie, Delen en Bewerken blijft gewoon bovenaan staan. Daaronder staat jouw ontwerp, zonder dat je beperkt bent tot secties en webparts.

Het voorbeeld hierboven komt van Microsoft zelf: de leeromgeving van het fictieve bedrijf Zava. Een donker ontwerp met grote typografie, een inhoudsopgave aan de zijkant en animaties. Met standaard webparts bouw je dat niet.

Het is een extra paginatype, geen vervanging. Je gewone sitepagina’s (ASPX) blijven bestaan en werken zoals je gewend bent.

Hoe zet je het aan?

Dit is het eerste wat je moet weten: HTML-pagina’s staan niet vanzelf aan. De site-eigenaar moet per site toestaan dat de bibliotheek Sitepagina’s HTML-bestanden accepteert.

  1. Ga naar de bibliotheek Sitepagina’s.
  2. Kies File types (Bestandstypen) in de commandbalk.
  3. Zet Allow HTML files aan.

Wil je het weer blokkeren, dan zet je dezelfde schakelaar uit.

Belangrijk voor beheerders: op tenantniveau uitzetten of beperken kan niet. Microsoft zegt dat letterlijk in de documentatie. De keuze ligt dus bij elke site-eigenaar afzonderlijk. Daarover verderop meer.

Let op: de uitrol loopt nog. De Engelse knopteksten komen uit de documentatie van Microsoft. Hoe ze in de Nederlandse interface heten, zie ik pas als het in mijn eigen tenant staat. Dan werk ik dit artikel bij.

Hoe maak je een HTML-pagina?

Er zijn drie routes.

Met Copilot. Kies op een site + New en dan HTML page, gebruik de zwevende Copilot-knop rechtsonder, of ga naar de Publish-startpagina en kies + Create en dan HTML page. Je beschrijft in een prompt wat je wilt, eventueel met bestanden als bijlage. Copilot maakt een concept en opent het in bewerkmodus. Controleer daarna of de pagina in Sitepagina’s staat. Zo niet, vraag Copilot hem te verplaatsen of doe het zelf.

Microsoft geeft in de documentatie een paar voorbeeldprompts, zoals een projectstatuspagina met roadmap en veelgestelde vragen, of een pagina met teamprofielen en een tijdlijn. Hoe concreter je bent over inhoud, opbouw en kleuren, hoe beter het resultaat.

Door te uploaden. Via hetzelfde scherm kies je Upload HTML page. In de bibliotheek Sitepagina’s kan het ook: Create or upload en dan Upload HTML page of Upload HTML folder. Met een map neem je afbeeldingen en andere bestanden mee. Die komen in Site assets terecht.

Vanuit een documentbibliotheek. Staat er al een HTML-bestand in een gewone documentbibliotheek, dan kies je via het menu Edit en daarna Edit in SharePoint. Let op: SharePoint verplaatst het bestand dan naar Sitepagina’s. Het verdwijnt uit de oorspronkelijke bibliotheek. Dat geldt ook als je bestanden met Move to naar Sitepagina’s verplaatst.

Hoe bewerk je zo’n pagina?

Op twee manieren. Tekst pas je rechtstreeks op de pagina aan: Edit, tekst selecteren, typen. Voor grotere wijzigingen in inhoud of ontwerp gebruik je het Copilot-chatvenster. Dan beschrijf je wat er moet veranderen, bijvoorbeeld “voeg onderaan een sectie met veelgestelde vragen toe” of “maak de achtergrond van de kop onze huisstijlkleur”.

Je hoeft dus geen HTML te kunnen schrijven. Wel handig om te weten: hoe preciezer je aangeeft welk onderdeel je bedoelt, hoe beter Copilot de wijziging op de juiste plek zet.

Publiceren werkt zoals bij een gewone pagina. Publish maakt de pagina zichtbaar voor iedereen die er rechten op heeft. Publiceren geeft zelf geen nieuwe rechten. Met Save and close bewaar je hem als concept.

Welke licentie heb je nodig?

Dat hangt af van wat je doet.

Wat je doet Copilot-licentie nodig?
Pagina maken via + New of + Create (HTML page) Ja
Pagina maken of bewerken via het Copilot-chatvenster Ja
HTML-bestand uploaden of verplaatsen naar Sitepagina’s Nee
Tekst direct op de pagina bewerken Nee
Publiceren en delen Nee
Pagina bekijken Nee

Ook zonder Microsoft 365 Copilot kun je dus HTML-pagina’s publiceren, mits iemand het bestand aanlevert. Voor alle acties heb je de gewone SharePoint-rechten nodig: pagina’s maken of bewerken, bestanden toevoegen, publiceren.

Wat kan wel en wat niet?

De pagina draait in een afgeschermde omgeving, een zogenaamde sandbox. SharePoint zet de HTML in een geïsoleerd frame, los van de header, footer en navigatie eromheen, met extra beveiligingsregels (Content Security Policy). Dat verklaart de meeste beperkingen.

Wat wel kan

  • Tekst bewerken op de pagina
  • Eigen afbeeldingen, als base64 in het bestand of via een URL binnen hetzelfde domein
  • Video als overlay, Word-, Excel-, PowerPoint- en pdf-bestanden openen in een nieuw tabblad
  • Live data uit SharePoint-lijsten en Excel
  • Links binnen de site, binnen de tenant en naar buiten (voor externe domeinen zie hieronder)
  • Ankerlinks binnen de pagina
  • JavaScript, zolang het in hetzelfde HTML-bestand staat
  • De bibliotheken Chart.js, Mermaid, React, Fluent UI en Babylon, gehost door Microsoft
  • Bekijken in de SharePoint-app in Teams op mobiel
  • Paginastatistieken, vergelijkbaar met gewone pagina’s

Wat niet kan

  • Externe API-aanroepen en willekeurige fetch-requests
  • Scripts of bibliotheken van een eigen of externe CDN
  • Live data uit andere bronnen, zoals Jira
  • De localStorage van de browser gebruiken
  • Inline video, audio en Office- of pdf-bestanden in de pagina tonen
  • Stockfoto’s, organisatie-assets of AI-gegenereerde afbeeldingen via de editor
  • Bewerken in de mobiele Teams-app

En voor communicatie misschien het belangrijkste lijstje:

  • Promoten naar nieuwsbericht
  • Amplify naar Teams en Viva Engage
  • Reacties en likes
  • Plannen van publicatie
  • Samen schrijven (co-authoring) en privéconcepten
  • Opslaan als paginatemplate

Een HTML-pagina is dus een presentatielaag. Hij komt niet in je nieuwsfeed, gaat niet mee in je Engage-flow en collega’s kunnen er niet op reageren.

Waarom opent een link op mijn pagina niet?

Links naar een andere tenant of naar een site buiten SharePoint werken alleen als het domein op de allowlist van de site staat. Dat regelt een site-beheerder:

  1. Ga naar Instellingen > Site-informatie > Alle site-instellingen weergeven.
  2. Kies HTML Field Security.
  3. Voeg het domein toe aan de lijst, sla op en ververs de pagina.

Dit is dezelfde lijst die je misschien al kent van ingesloten video’s en iframes.

Krijgt een HTML-pagina automatisch mijn huisstijl?

Alleen als Copilot hem maakt. Pagina’s die Copilot maakt of via een prompt bijwerkt, krijgen het thema en lettertype van de site. Een geüpload HTML-bestand niet. Dat toont precies wat erin staat. Je kunt Copilot achteraf vragen de pagina op de site-huisstijl aan te passen, maar daarvoor heb je weer een Copilot-licentie nodig.

Het maximum per HTML-bestand is 10 MB. Wordt het groter, verwijs dan naar gehoste afbeeldingen in plaats van ze in te sluiten en haal overbodige code weg.

Waar ik op zou letten

Maak de schakelaar onderdeel van je afspraken. Omdat je het niet centraal kunt uitzetten, bepaalt elke site-eigenaar zelf of zijn site HTML-pagina’s accepteert. Voor een kleine organisatie is dat geen probleem. Heb je honderden sites, neem het dan op in je site-aanvraagproces en in de instructie voor site-eigenaren. Op welke sites mag het aan, en wie beslist dat?

Denk na over huisstijl en toegankelijkheid. De vrijheid die dit biedt, geldt voor iedereen met bewerkrechten. Als elke afdeling zijn eigen ontwerp bouwt, heb je straks tien huisstijlen op één intranet. Geüploade HTML krijgt je huisstijl niet automatisch. En toegankelijkheid (WCAG) is bij een zelfgebouwde pagina net zo goed je verantwoordelijkheid. Voor overheid en zorg is dat een wettelijke verplichting. Een checklist voor wie een HTML-pagina publiceert, is snel gemaakt.

Pas op met ontwerpen van buitenaf. Levert een bureau een campagnepagina aan, controleer dan vooraf of die zonder externe scripts, lettertypen van een CDN of API-koppelingen werkt. Wat buiten de sandbox valt, doet het niet. Beter om dat vóór de lancering te ontdekken.

Kies bewust welk type pagina je gebruikt. Een HTML-pagina is sterk voor naslag die er goed uit moet zien: een onboardingsgids, een jaaroverzicht, een campagnepagina, een projectdashboard op basis van een SharePoint-lijst. Wil je dat collega’s reageren, of moet het bericht in de nieuwsfeed en in Viva Engage komen, dan blijft een gewoon nieuwsbericht de aangewezen route.

Check wat er met ‘live’ cijfers bedoeld wordt. Het voorbeeld van Microsoft toont indrukwekkende getallen en “real-time skill telemetry”. Live gegevens kunnen alleen uit SharePoint-lijsten en Excel komen. Wie een dashboard met een koppeling naar een LMS, CRM of ticketsysteem verwacht, moet de data eerst in een lijst krijgen. Of accepteren dat het een momentopname is.

Wanneer kun je het verwachten?

Volgens het Message Center loopt de uitrol van oktober tot en met december 2026. Je vindt het terug onder MC1479517 (roadmap-ID 569208). Het werkt in de webversie van SharePoint.

Als beheerder is het verstandig de afspraken over de schakelaar per site te maken voordat de knop bij je gebruikers verschijnt. Achteraf terughalen is lastiger.

Tot slot

HTML-pagina’s geven communicatieteams iets waar ze lang om hebben gevraagd: een pagina die eruitziet zoals zij hem bedacht hebben, zonder ontwikkelaar. Tegelijk is het een paginatype met duidelijke grenzen. Geen nieuws, geen gesprek, geen externe koppelingen.

Wie die grenzen kent, kan er goed mee uit de voeten. Wie ze niet kent, loopt er bij de eerste campagne tegenaan.


Bron: Create, upload, edit, and publish HTML pages in SharePoint, Microsoft Support. Message Center: MC1479517, roadmap-ID 569208. Beeld: Microsoft, demo-omgeving Zava.

Een intranetbeheer-dashboard maken met Copilot Skills, zonder developer

Wie een SharePoint-intranet beheert, kent de vraag: welke pagina’s zijn verouderd, welke staan nog in concept en welke zijn uitgecheckt? Het antwoord vinden kost normaal veel klikwerk, of je laat een developer een rapportage bouwen. Sinds Copilot Skills kan het ook anders: je bouwt als eindgebruiker zelf een interactief dashboard. In deze blog en video laat ik zien hoe dat werkt.

Wat zijn Copilot Skills?

Copilot Skills zijn herbruikbare instructiesets die je zelf definieert in Microsoft 365 Copilot. Je legt eenmalig vast wat Copilot moet doen en hoe het resultaat eruit moet zien. Daarna voer je de skill uit wanneer je wilt, zonder telkens opnieuw je prompt op te bouwen.

De video: van skill naar dashboard

In onderstaande video zie je het complete proces. Ik heb een skill gemaakt met de naam SiteBeheerAudit en die uitgevoerd over 7 sites met in totaal 150 pagina’s:

Het resultaat is een HTML-dashboard dat in SharePoint leeft. In één oogopslag zie ik wat aandacht nodig heeft: 9 uitgecheckte pagina’s, pagina’s die nog in concept staan, 101 verouderde pagina’s en 18 pagina’s zonder titel. Bovenin staat een KPI-overzicht, daaronder een prioriteitenlijst en een filterbalk. Ik kan filteren op status en zelfs inzoomen per site, bijvoorbeeld alleen de uitgecheckte pagina’s van de site ICT.

Hoe zit het achter de schermen?

Het dashboard is geen losstaand trucje. In een documentbibliotheek Agent Assets in SharePoint staan de skill en het template. De skill bevat de instructieset voor het uitvoeren van de audit, het template bepaalt hoe het dashboard eruitziet. Copilot gebruikt beide elke keer dat je de skill draait. De versiegeschiedenis laat zien dat ik acht versies nodig had om tot dit resultaat te komen. Itereren hoort erbij, maar het blijft werk dat je zelf kunt doen.

Heb je hier een developer voor nodig?

Nee, en dat is precies het punt. Dit soort dashboards liet je voorheen door een developer bouwen. Met Copilot Skills maak je het als eindgebruiker zelf, met wat iteraties. Dat geeft net wat extra jus aan je intranet, zonder ontwikkelkosten en zonder wachttijd.

Microsoft 365 SharePoint Online – 4 essentiële sitetypen onthuld!

Deze week bezocht ik een klant om te praten over hun bedrijfsintranet. We wilden weten: hoe kunnen we verschillende sites binnen het bedrijf slim met elkaar verbinden?

Samen hebben we gekeken naar de verschillende soorten sites in Microsoft 365. Dat wil ik graag met jullie delen!

Soorten sites in Microsoft 365.

In SharePoint zijn er twee belangrijke soorten sites:

Teamsites 👥 Een teamsite is een plek waar collega’s samen kunnen werken

  • Geschikt voor projecten en afdelingen
  • Vaak gekoppeld aan een Microsoft Team
  • Iedereen uit het team kan hier documenten delen en samenwerken

Communicatiesites 📰 Een communicatiesite is bedoeld om informatie te delen met veel mensen binnen je bedrijf.

  • Geschikt voor bedrijfsnieuws
  • Leuk en aantrekkelijk vormgegeven
  • Eenrichtingsverkeer: van organisatie naar medewerkers
Artikelcontent
Voorbeeld van verschillende sites binnen een organisatie (bron: Microsoft)

Extra mogelijkheden: Hub Sites en Homesites

Deze speciale sites geven je extra mogelijkheden om verschillende sites van je organisatie beter met elkaar te verbinden. Zo maak je één samenhangend geheel voor alle interne sites

Hub Sites 🔗

Hubsites helpen je om structuur in je sites aan te brengen. Bijvoorbeeld op onderwerp geclusterde sites.

  • Gedeelde top navigatie
  • Uniforme huisstijl / rechten
  • Zoekfunctionaliteit binnen de geclusterde sites
  • Je kunt zowel team- als communicatiesites promoveren tot hubsite
  • Aan een hubsite kun je zowel team- als communicatiesites koppelen

Homesite 🏠

Digitale voorpagina van je intranet

  • Een homesite is een gepromoveerde communicatiesite
  • Dé hoofdsite / landingspagina van je intranet
  • Kan geïntegreerd worden in Teams
  • Organisatiebrede overzicht van alle informatie en nieuws.
  • Gepersonaliseerde content op basis van jouw rol in het bedrijf
  • Centrale landingspagina – voorkomt verwarring welke site nu leidend is

Praktijkvoorbeeld

Een intranet voor het hele bedrijf maar ook met met losse teamsites die geen onderdeel uitmaken van het intranet. Ze zijn niet verbonden met het menu in het intranet en kunnen een afwijkende stijl hebben.

Artikelcontent

Tips voor een goede indeling💡

  • Maximaal drie navigatieniveaus in je menu
  • Houd rechten (wie mag wat zien) zo simpel mogelijk
  • Maak een logische, intuïtieve navigatie zodat iedereen makkelijk kan vinden wat hij zoekt.

Referentielink https://support.microsoft.com/nl-nl/office/de-sjabloon-sharepoint-team-samenwerkingssite-gebruiken-75545757-36c3-46a7-beed-0aaa74f0401e

#Microsoft365 #SharePoint #IntranetDesign #DigitalWorkplace #OrganizationalCommunication

Ambassadeurs in je organisatie: de sleutel tot succesvolle adoptie van je intranet

Veel communicatieprofessionals herkennen het spanningsveld: het management wil tempo maken met nieuwe tools, terwijl medewerkers zich juist overspoeld voelen.

Nieuwsberichten worden nauwelijks gelezen, trainingen zijn snel vergeten en de helpdesk krijgt het drukker in plaats van rustiger. De klassieke aanpak van zenden en informeren schiet tekort. Niet omdat de intentie verkeerd is, maar omdat het niet aansluit bij hoe gedragsverandering in de praktijk werkt.

Verandering van binnenuit

Wat beter werkt: collega’s die het goede voorbeeld geven. Niet vanuit de top, maar vanuit de werkvloer zelf. Mensen die in hun team laten zien hoe nieuwe tools helpen, vragen opvangen en praktische tips delen.

Die collega’s noemen we ambassadeurs. Microsoft noemt ze ‘champions’. Hoe je ze ook noemt: het zijn mensen die helpen om verandering van binnenuit te laten slagen.

Waar vind je ambassadeurs?

Ambassadeurs zijn vaak niet de usual suspects. Je vindt ze op plekken waar je misschien niet meteen aan denkt:

  • Collega’s die tijdens trainingen veel vragen stellen (ze denken namens velen)
  • Teams die vaak bij de helpdesk aankloppen (vaak leergierig en zoekend)
  • Mensen die creatieve omwegen bedenken (praktisch en oplossingsgericht)
  • Kritische medewerkers die, als je ze meekrijgt, juist heel overtuigend zijn

Een sterk ambassadeursnetwerk is een afspiegeling van je organisatie. Betrek mensen uit verschillende afdelingen, functieniveaus en werkcontexten – van beleid tot uitvoering, van digitaal vaardig tot aarzelend verkennend.

Wat geef je ambassadeurs terug?

Zo’n rol hoeft geen extra belasting te zijn én hoeft niet veel te kosten. Een aantal voorbeelden:

  • Erkenning: een bedankje van het MT, een vermelding in de nieuwsbrief
  • Groei: voorrang bij trainingen of presentaties geven in teamverband
  • Invloed: meedenken over communicatie of nieuwe functionaliteiten
  • Verbinding: een community waarin ambassadeurs ervaringen uitwisselen

Hoe houd je het levend?

Eenmalige aandacht is niet genoeg. Zorg dat het programma duurzaam is ingebed:

  • Veranker de rol in ontwikkelgesprekken of teamafspraken
  • Organiseer kennisdelingssessies of inspiratiebijeenkomsten
  • Deel successen zichtbaar in de organisatie
  • Bouw toe naar een groep die zelf initiatief neemt en kennis doorgeeft

De impact: meer dan adoptie alleen

Ambassadeurs zorgen voor draagvlak, begrijpelijke uitleg en praktische hulp. Maar hun waarde gaat verder: ze versterken onderlinge verbinding en maken van een technisch project een organisatieontwikkelingstraject.

De praktijk laat zien: programma’s die 12 tot 18 maanden de ruimte krijgen, leveren blijvende impact op.

Wil je hiermee aan de slag?

Microsoft heeft hiervoor een uitgebreid Champions-programma beschikbaar gesteld, inclusief formats, inspiratie en trainingstools: https://adoption.microsoft.com/en-us/champions/

Voor wie het structureel wil aanpakken: er is zelfs een gratis Teams-app (Champions Management Platform) waarmee je ambassadeurs kunt registreren, ondersteunen en activeren. Met optionele gamification zoals badges, challenges en scorekaarten.

Let wel: in de Nederlandse praktijk werkt het vaak het best als je de nadruk legt op samenwerking, zichtbaarheid en eigenaarschap – niet zozeer op competitie.

Meer info over de app: https://adoption.microsoft.com/en-us/champions/teams-app/

Kun je een SharePoint-nieuwsbericht delen in Viva Engage?

Kun je een SharePoint-nieuwsbericht delen in Viva Engage?

Ja. En vanaf eind september gaat dat een stuk beter dan nu.

Microsoft rolt cross-posting uit tussen SharePoint News en Viva Engage. Je stuurt een nieuwsbericht rechtstreeks naar een community of storyline, het bericht wordt volledig getoond in de Engage-feed, en alle reacties uit SharePoint én uit Engage komen samen in één gesprek.

Klinkt als een detail. Voor wie het interne nieuws verzorgt, is het dat niet.

Wat kon er al, en waarom dat schuurde

Je nieuws in een community krijgen kon natuurlijk allang. Alleen niet elegant.

De meest gebruikte route: het nieuwsbericht publiceren in SharePoint, de link kopiëren, en die in de community plakken. Wat je dan krijgt is een linkvoorbeeld een klein kaartje met een thumbnail en een titel. Wie het bericht wil lezen, moet doorklikken.

Daarnaast bestaan er alternatieven. De Viva Engage-homefeed toont SharePoint-nieuws. Je kunt de Conversations-webpart op een SharePoint-pagina zetten, zodat het gesprek naast het nieuws staat. En met Power Automate kun je via RSS berichten naar een community sturen.

Allemaal bruikbaar. Maar ze lossen geen van alle het echte probleem op: je hebt na afloop twee plekken waar het gesprek plaatsvindt. Iemand reageert onder de SharePoint-pagina, iemand anders reageert in de community, en jij zit als redacteur twee kanalen te bewaken. De beste vraag staat net op de plek waar de helft van je collega’s niet kijkt.

Wat er verandert

Twee dingen.

Het bericht zelf verschijnt in de feed. Geen klein linkkaartje meer, maar de kop, de afbeelding, de tussenkoppen, de alinea’s en de opsommingen van je nieuwsbericht gerenderd in de Engage-feed, met een fade-out onderaan en een link “Nieuwsbericht bekijken”. Direct daaronder staan de reactieknoppen en een reactieveld.

Klik je op “Nieuwsbericht bekijken”, dan open je de volledige SharePoint-pagina. Microsoft is daar expliciet over: het is geen screenshot en geen uitgeklede kopie. Secties, afbeeldingen, knoppen, links en zelfs custom SPFx-webparts blijven gewoon werken. Wat je in SharePoint hebt gebouwd, blijft overeind.

De reacties worden één gesprek. Comments, replies en reacties die iemand plaatst in SharePoint of vanuit welk Engage-kanaal dan ook, verschijnen in dezelfde thread. Inclusief geneste antwoorden. Lezers reageren waar het hun uitkomt; jij hoeft maar één discussie te volgen.

En dat werkt over alle Engage-oppervlakken: web, mobiele app, en de Engage-apps in Microsoft Teams en Outlook.

Heb je hier een Viva-licentie voor nodig?

Nee. En dat is misschien wel het prettigste nieuws.

Cross-posting is beschikbaar voor iedereen met een Microsoft 365-licentie, ook zonder Viva Communications & Communities-licentie. Heb je die licentie niet, dan zie je in de commandbalk Promote in plaats van Amplify. De rest van de stappen is identiek.

Voor veel organisaties haalt dat het gebruikelijke bezwaar weg. “Leuk, maar dat kost vast weer een extra licentie” gaat hier niet op.

Hoe weet je of het werkt?

Je kunt de statistieken van beide kanten naast elkaar leggen.

De pagina-analytics in SharePoint tonen prestaties uit SharePoint én Engage. De analytics in Engage geven een kanaalbeeld: bereik, reacties en comments. Handig detail: SharePoint-nieuws wordt in de Engage-conversatierollups herkend als een apart posttype, dus je kunt het onderscheiden van gewone community-posts.

Wat je precies ziet, verschilt per licentie.

Waar ik op zou letten

Drie dingen, en het eerste is geen techniek maar een afspraak.

Bepaal vooraf welke nieuwssoorten je cross-post. Niet elk bericht hoeft een gesprek te worden. Een verplichte beleidsupdate met een open discussie eronder is zelden een succes — dan ben je vooral aan het modereren in plaats van aan het communiceren. Maak per nieuwstype een keuze: alleen SharePoint, of SharePoint plus community.

Spreek af wie modereert. Dit is de vraag waar nog weinig organisaties een antwoord op hebben. De conversatie leeft technisch in Engage, dus Engage-moderatie en -retentie zijn leidend. Maar de lezer die onder de SharePoint-pagina reageert, denkt dat hij in SharePoint zit. Is de redacteur verantwoordelijk voor die reacties, of de communitymanager? Zet dat op papier vóór het eerste bericht de deur uit gaat, niet erna.

Controleer je bestaande Engage-integraties. Twee klassiekers: de Viva Engage-webparts werken niet op sites met een vanity domain. En de klassieke Highlights-webpart wordt sinds 1 juni 2025 niet meer ondersteund — staat die nog ergens op je intranet, migreer dan eerst naar de Conversations-webpart.

Wanneer kun je het verwachten?

De wereldwijde uitrol start eind september 2026 en is naar verwachting eind oktober afgerond. In je Message Center vind je het terug onder MC1466762.

Als beheerder is het slim om je redacteuren erop voor te bereiden. Niet omdat er iets kapot gaat, maar omdat er een knop bijkomt waarvan ze het bestaan moeten kennen — en omdat je die governance-afspraken liever vóór de uitrol maakt.

Tot slot

Dit is een van die updates die klein oogt en in de praktijk veel scheelt. Niet omdat er een spectaculaire functie bijkomt, maar omdat een vervelend stukje handwerk verdwijnt: twee keer plaatsen, twee gesprekken bewaken, en achteraf uitzoeken waar de beste reactie ook alweer stond.

Werken jullie al met communities op het intranet, dan wordt dit vanzelf merkbaar. Doen jullie dat nog niet, dan is dit misschien het moment om die keuze opnieuw tegen het licht te houden.

Loop je ergens tegenaan bij het inrichten hiervan? Laat het weten — ik denk graag mee.


Bron: Introducing SharePoint News and Viva Engage cross-posting, Microsoft SharePoint Blog, 3 september 2026. Message Center: MC1466762.

Untitled

Het einde van klassiek SharePoint: wat je nu al moet uitzoeken

Microsoft heeft een datum geprikt voor iets waar veel functioneel beheerders al jaren omheen lopen. De klassieke SharePoint-ervaringen verdwijnen. Niet volgende maand, en ook niet in één klap, maar de richting is nu officieel en er zitten harde datums aan.

De aankondiging staat in Message Center-bericht MC1464926 en in een uitgebreid artikel van Microsoft. Het gaat om drie dingen die bij elkaar horen: klassieke publishing-sites, klassieke door gebruikers gemaakte pagina’s, en custom scripting. Precies de hoek van SharePoint waar in de loop der jaren het meeste maatwerk in is geslopen.

Wat er verandert en wanneer

De uitrol gebeurt in twee fases.

Vanaf 1 maart 2027 kun je in geen enkele tenant meer nieuwe klassieke publishing-sites aanmaken, niet als sitecollectie en niet als subsite. De publishing-feature valt niet meer te activeren en de tenantinstelling die dat regelt wordt vastgezet. Voor tenants die ná die datum nieuw worden aangemaakt gaat er meteen meer op slot: geen nieuwe klassieke pagina’s, en custom scripting staat standaard uit.

Vanaf 1 oktober 2028 gelden die pagina- en scriptbeperkingen voor alle bestaande tenants. Klassieke door gebruikers gemaakte pagina’s worden dan read-only. Ze blijven leesbaar, maar bewerken of nieuwe aanmaken kan niet meer.

Belangrijk om te weten: er wordt niets weggegooid. Bestaande pagina’s blijven gewoon zichtbaar. Ze bevriezen alleen. Wie een pagina ná die datum nog wil kunnen aanpassen, moet hem vóór die tijd hebben omgezet naar een moderne pagina.

Welke pagina’s vallen hieronder

De read-only-wijziging raakt specifiek deze typen: wiki-pagina’s, Web Part-pagina’s, blogpagina’s, publishing-pagina’s, en custom ASPX-pagina’s die met SharePoint Designer of een externe oplossing zijn gemaakt.

Wat er buiten valt: lijst- en bibliotheekweergaven en formulierpagina’s van lijsten. Die blijven voorlopig zoals ze zijn. Met één addertje: zit er custom script in zo’n weergave, dan val je alsnog onder de scriptwijziging.

En dan die oudere sites en add-ons

Dit is het stuk waar ik functioneel beheerders op zou willen wijzen, want het is de blinde vlek.

Een intranet dat een jaar of vijf, zes meegaat, heeft vaak een laag onder de motorkap die niemand meer echt in beeld heeft. Een custom ASPX-pagina die ooit door een leverancier is neergezet. Een stukje script dat een tabel opmaakt of een teller bijhoudt. Een pagina uit een oude teamsite die met SharePoint Designer is gebouwd. Aan de voorkant ziet zo’n intranet er misschien modern uit, terwijl er achter de schermen nog klassiek werk draait.

Precies dat maatwerk is waar deze wijziging pijn kan doen. Als custom scripting straks standaard uit staat, stopt dat soort oplossingen met werken. En de leverancier die het ooit bouwde, is er soms niet meer, of het contract is allang afgelopen.

Er speelt bovendien iets aangrenzends dat losstaat van deze aankondiging maar in dezelfde hoek zit. Het SharePoint Add-In-model en de bijbehorende Azure ACS-authenticatie zijn per 2 april 2026 gestopt. Dat is dus al gebeurd. Draait er ergens nog een add-in van vroeger, dan is de kans groot dat die nu al niet meer werkt. Twee losse trajecten, dezelfde onderliggende beweging: het klassieke maatwerk gaat eruit.

Wat je nu kunt doen

Je hebt tijd, maar de eerste stap is geen migratie. Het is inventarisatie.

Begin met in kaart brengen wat je eigenlijk hebt. Microsoft geeft daar concrete handvatten voor. In Purview Audit zit een categorie SharePoint Classic Activities, met gebeurtenissen als ClassicPageCreated, ClassicPageEdited en ClassicPageViewed. Zo zie je niet alleen welke klassieke pagina’s er staan, maar ook of ze nog gebruikt worden. Daarnaast is er de Microsoft 365 Assessment Tool, die klassieke pagina’s, Web Parts en maatwerkpatronen opspoort en inschat hoe haalbaar modernisering is.

Vind je niets? Dan hoef je ook niets te doen. Dat is een geldige uitkomst en fijn om zwart op wit te hebben.

Vind je wel wat, begin dan bij de pagina’s die er echt toe doen. De veelbezochte, de vaak bewerkte, de bedrijfskritische. Groepeer ze naar complexiteit en verplaats ze in golven, zodat je per golf kunt controleren of links, rechten, Web Parts en opmaak nog kloppen voordat je de volgende groep aanpakt.

Waarom dit een communicatievraag is, niet alleen een IT-vraag

Het is verleidelijk om dit door te schuiven naar beheer. Toch zit de kern bij de eigenaar van je SharePoint sites.

Iemand moet namelijk bepalen welke oude pagina’s er nog toe doen. Welke campagne uit 2022 mag bevriezen, en welke kennisbank moet blijven leven. Dat is geen technische afweging, dat is een inhoudelijke. De functioneel beheerder kan de pagina’s opsporen en omzetten. De keuze wat blijft, ligt bij communicatie.

De datums liggen ver genoeg weg om rustig te plannen, en dichtbij genoeg om er dit jaar al mee te beginnen. Wie in 2028 pas kijkt, ontdekt te laat welke pagina niemand meer kan bewerken.

Agents, Copilot en skills in SharePoint: wat is wat, en wie gaat waarover?

Stand van zaken: augustus 2026. 

Knowledge Agent. AI in SharePoint. Copilot in SharePoint. Drie namen voor dezelfde functie, binnen twaalf maanden. Als je als informatiemanager of functioneel beheerder het overzicht kwijt bent, ligt dat niet aan jou.

Dit artikel zet uit elkaar wat er in SharePoint naast elkaar staat, wie er per onderdeel aan de knoppen zit, en waar je rechtenmodel gaten laat vallen die je er niet zelf in hebt gemaakt.

Het zijn er twee, plus een uitbreiding

Veel verwarring komt voort uit een verkeerde indeling. Mensen zetten agents, Copilot en skills als drie gelijkwaardige dingen naast elkaar. Dat klopt niet. Het zijn twee functies, en skills zijn een uitbreiding op de tweede. Microsoft documenteert het ook zo: “Extend Copilot in SharePoint with skills”.

Agents in SharePoint, Copilot in SharePoint en skills vergeleken. Stand van zaken: augustus 2026.
Agents in SharePointAlgemeen beschikbaar Copilot in SharePointPreview SkillsUitbreiding op Copilot, preview
Wat het doet Beantwoordt vragen over de inhoud van een site, bibliotheek of selectie bestanden. Ook aan te roepen in een Teams-chat of standaardkanaal. Voert uit. Kolommen vullen, bestanden ordenen, secties en pagina’s maken, lijsten en bibliotheken opzetten, hele sites bouwen. Legt een werkwijze vast, zodat iedereen die hem aanroept dezelfde uitvoering krijgt.
Waar het staat Kant-en-klare agent per site zonder bestand. Zelfgemaakt als .agent-bestand in Site Assets of in de bibliotheek waar je begon. In het scherm zelf. Geen bestand, geen webpart. Markdown-bestanden onder /Agent Assets/Skills/<naam>/SKILL.md.
Wie gaat erover Bewerkrechten op de site om te maken en te bewerken. Beheerder kan de kant-en-klare agent weghalen via Restricted Content Discovery. Beheerder via Set-SPOTenant -KnowledgeAgentScope. Site-eigenaar via Site AI settings. Bewerkrechten om te maken, leesrechten om te gebruiken. Geen aparte beheerinstelling.
Waar je op let Copilot-licentie of pay-as-you-go vereist. De kant-en-klare agent kun je niet bewerken en niet delen. Sinds midden juni 2026 opt-out: aan tenzij je iets doet. Draait op een door Microsoft beheerd model van OpenAI, dat kan wijzigen. Geen koppeling met externe systemen en geen extra rechten. De rechten op Agent Assets zijn wel los te knippen van de site.

Agents in SharePoint

Agents beantwoorden vragen over inhoud. Ze zijn algemeen beschikbaar, geen preview, maar vereisen wel een Microsoft Copilot-licentie of pay-as-you-go voor SharePoint-agents.

Er zijn twee soorten.

De kant-en-klare agent krijgt elke site automatisch, zonder dat een site-eigenaar iets doet. Er hoort geen bestand bij. Je kunt hem niet bewerken en niet delen. Als beheerder haal je hem weg via de Restricted Content Discovery-policy. Op sites die in de Copilot-preview zitten, heet die agent “Copilot” in plaats van de sitenaam, wat de verwarring niet kleiner maakt.

De zelfgemaakte agent maak je met bewerkrechten op de site. Die krijgt wel een bestand: een .agent-bestand. Start je vanaf de homepage, dan komt het in Site Assets, in de map Copilots. Start je vanuit een bibliotheek of vanuit een selectie bestanden, dan wordt het opgeslagen in die bibliotheek. Dat is relevant voor je informatiebeheer, want zo’n bestand valt onder je gewone SharePoint-governance: rechten, bewaartermijnen, gevoeligheidslabels, auditing. Wil je met DLP op agents sturen, dan kun je condities op de .agent-extensie zetten in plaats van op gevoeligheidslabels.

Antwoorden zijn rechten-bewust. Wie een agent gebruikt, krijgt alleen antwoord op basis van zijn eigen toegang tot de bronnen. Een agent delen verandert daar niets aan. Dat is geruststellend, maar het is geen vrijbrief: als de onderliggende rechten te ruim staan, maakt een agent dat sneller zichtbaar dan een zoekopdracht ooit deed.

De agent verlaat de site

Dit is het punt dat in governance-gesprekken vaak wordt overgeslagen. Een zelfgemaakte agent blijft niet op de site staan.

Je kiest bij de agent Copy link for Teams, plakt die link in een groepschat, vergaderchat of standaardkanaal, en bevestigt “Add to this chat”. Daarna is de agent met een @-vermelding aan te roepen. Sinds midden juli 2026 zijn SharePoint-agents ook vindbaar in de Teams-store onder Agents en via “Agents en bots toevoegen” in de chat (MC1193415, roadmap-ID 515465).

Wat je daarbij moet weten:

  • Alleen zelfgemaakte agents zijn te delen. De kant-en-klare agent niet.
  • Privékanalen en gedeelde kanalen worden nog niet ondersteund. Een 1-op-1 chat met een SharePoint-agent ook niet.
  • Voeg je een agent toe aan een kanaal, dan wordt hij toegevoegd aan het onderliggende team.
  • Zitten er gasten of externe gebruikers in de chat of het kanaal, dan weigert de agent te antwoorden.

Dat laatste punt is voor gemeenten en zorgorganisaties met ketenpartners in kanalen belangrijker dan het lijkt. Het betekent dat de agent daar simpelweg niet werkt, niet dat hij minder deelt.

Copilot in SharePoint

Dit is de functie die eerst Knowledge Agent heette, daarna AI in SharePoint, en nu Copilot in SharePoint. De artikelen op Microsoft Learn zijn hernoemd naar copilot-in-sharepoint-*. De PowerShell-parameters houden bewust de oude naamgeving aan, daarover verderop meer.

Waar een agent antwoordt, voert Copilot in SharePoint uit:

  • kolommen automatisch vullen op basis van bestandsinhoud
  • bestanden en mappen ordenen
  • secties op een pagina genereren, met bestanden als bron
  • hele pagina’s schrijven en bewerken via het AI-authoringpaneel, inclusief indeling en webparts
  • lijsten en bibliotheken opzetten
  • complete sites bouwen op basis van een plan dat jij eerst goedkeurt
  • Word-, Excel- en PowerPoint-bestanden maken vanuit inhoud die al op je site staat

Sinds de augustusrelease kan Copilot ook een dashboard uit een lijst genereren als interactief HTML-rapport dat verbonden blijft met die lijst en zich ververst bij openen. Voor wie de discussie over HTML-pagina’s in SharePoint volgt: dat beantwoordt de vraag waar zo’n pagina zijn cijfers vandaan haalt, in elk geval voor deze route.

Preview, maar wel aan

Belangrijk voor je change-proces: Copilot in SharePoint is sinds midden juni 2026 geen opt-in preview meer, maar een opt-out preview. Het komt automatisch beschikbaar voor iedereen met een Copilot-licentie. Had je eerder de tenant of specifieke sites uitgezet, dan wordt dat gerespecteerd.

Niet beschikbaar in GCC, GCC High, DoD, air-gapped omgevingen en 21Vianet. Tijdens de preview gelden daarnaast dagelijkse en wekelijkse gebruikslimieten per gebruiker.

Wat je als beheerder kunt sturen

Tijdens de preview stuur je met PowerShell. Gebruik SharePoint Online Management Shell versie 16.0.26615.12013 of hoger. In multigeo-tenants voer je het script per geo uit.

powershell
Connect-SPOService https://jouwtenant-admin.sharepoint.com

# Beschikbaar op alle sites
Set-SPOTenant -KnowledgeAgentScope AllSites

# Of: alleen op een selectie sites
Set-SPOTenant -KnowledgeAgentScope IncludeSelectedSites
Set-SPOTenant -KnowledgeAgentSelectedSitesList @("https://jouwtenant.sharepoint.com/sites/site1")

# Of: overal behalve op een selectie
Set-SPOTenant -KnowledgeAgentScope ExcludeSelectedSites

# Of: helemaal uit
Set-SPOTenant -KnowledgeAgentScope NoSites

Get-SPOTenant | Select-Object KnowledgeAgentScope, KnowledgeAgentSelectedSitesList

De lijst met site-URL’s mag maximaal honderd items bevatten. Met KnowledgeAgentSelectedSitesListOperation kies je tussen Overwrite (standaard), Append en Remove. En ja, de parameters heten nog steeds KnowledgeAgent, terwijl de functie inmiddels anders heet. Microsoft heeft dat expliciet zo gelaten voor compatibiliteit tijdens de preview. Bij general availability verandert het inschakelproces.

Krijg je de foutmelding dat KnowledgeAgentScope niet gevonden wordt, dan draaien er waarschijnlijk meerdere versies van de management shell op je machine.

Twee bestaande instellingen werken gewoon door. Restricted Content Discovery wordt gerespecteerd: staat dat aan op een site, dan verschijnen Copilot in SharePoint en de AI-acties daar niet, ongeacht je overige instellingen. En in het paneel Site AI settings kiest de site-eigenaar zelf welke agent opent achter het AI-icoon, en kan hij de Copilot-knop verbergen voor bezoekers.

Die laatste is het vermelden waard richting je communicatiecollega’s. Op een intranetsite kun je bezoekers de agent geven die jij hebt ingericht, met jouw bronnen en jouw startvragen, in plaats van de standaardagent.

Het model

Copilot in SharePoint draait op een door Microsoft beheerd reasoning-model van OpenAI. Microsoft geeft aan dat dit model in de tijd kan wijzigen en dat je zelf niets configureert.

Dit is een correctie waard, want in het Message Center-bericht van maart 2026 stond een Anthropic-model genoemd, inclusief de opmerking dat beheerders in sommige regio’s Anthropic als subverwerker moesten toestaan. Dat verhaal circuleert nog steeds. Voor een verwerkingsregister of een DPIA: baseer je op de actuele documentatie, niet op een bericht van een half jaar geleden, en leg de datum van je vaststelling vast.

Skills

Skills zijn geen apart product. Het is een uitbreiding op Copilot in SharePoint, en een skill kan alleen wat Copilot daar toch al kan, maar dan in jouw volgorde.

Je maakt een skill in gewone taal in het chatvenster. Je beschrijft de werkwijze, je krijgt een concept terug dat je kunt bijstellen, en daarna sla je hem op. Het resultaat is een markdown-bestand onder /Agent Assets/Skills/<naam>/SKILL.md. Copilot laadt een passende skill zelf als je vraag erop lijkt, of je roept hem bij naam aan. In het chatvenster zie je een indicator dat er een skill geladen is. Met /skills zie je ook de ingebouwde skills die Microsoft zelf meelevert.

De waarde zit in eenheid van uitvoering. Wie de skill aanroept, krijgt dezelfde stappen, dezelfde volgorde en dezelfde uitkomst. Dat is precies waarom het een governance-onderwerp is.

Wat je hier wel en niet kunt

Wat je niet kunt: skills als functie uitzetten. Er zijn geen aparte beheerinstellingen voor. Ze bestaan alleen binnen Copilot in SharePoint, dus je enige tenantbrede rem is die functie zelf uitzetten of per site uitsluiten. De bibliotheek Agent Assets wordt door het product beheerd en kun je niet verwijderen.

Wat je wel kunt: standaard SharePoint-bestandsgovernance toepassen op de skill-bestanden. Rechten, bewaarbeleid, gevoeligheidslabels, auditing. En je kunt de overerving van rechten op de bibliotheek Agent Assets verbreken en er een strakker model op zetten.

Dat laatste is de kern van de zaak. Standaard geldt: bewerkrechten op de site zijn genoeg om een skill te maken, leesrechten zijn genoeg om hem te gebruiken. Wie vandaag een nieuwsbericht mag publiceren, legt morgen vast hoe de AI op die site werkt. Dat is geen fout in het product, dat is een keuze die jouw rechtenmodel voor je maakt zolang je er zelf niets van vindt.

Twee geruststellingen: een skill kan geen verbinding maken met externe systemen of eigen code uitvoeren, en hij kan alleen handelingen doen die de gebruiker zelf al mag doen. Er wordt dus geen toegang opgerekt.

Wat ik zou vastleggen

Vijf punten die je zonder project of budget kunt regelen:

  1. Wie mag skills schrijven. Bepaal of bewerkrechten op de site genoeg zijn, of dat je Agent Assets losknipt en aan een kleine groep geeft. Doe dat in elk geval voor je hoofdintranet en je kanaalsites.
  2. Wie mag agents publiceren. Zeker agents die in Teams-kanalen terechtkomen. Zo’n agent reist verder dan de site waar hij gemaakt is.
  3. Inventariseer wat er al staat. .agent-bestanden zijn vindbaar in Site Assets en in bibliotheken, skills in Agent Assets. Weet je wat er is, dan weet je waar je over praat.
  4. Neem agents en skills op in je levenscyclus. Ze hebben een eigenaar en een vervaldatum nodig, net als een pagina of een nieuwsbericht. Anders heb je over een jaar een tweede laag content waar niemand van is.
  5. Leg de datum van je vaststelling vast. Naamgeving, model en preview-status zijn dit jaar meermaals gewijzigd. Zonder datum weet je over zes maanden niet meer waarop je besluit gebaseerd was.

Bronnen

  • Get started with Copilot in SharePoint (preview): learn.microsoft.com/sharepoint/copilot-in-sharepoint-get-started
  • Extend Copilot in SharePoint with skills: learn.microsoft.com/sharepoint/copilot-in-sharepoint-skills
  • Create sites with AI: learn.microsoft.com/sharepoint/create-sites-with-ai
  • Get started with agents in SharePoint: support.microsoft.com/sharepoint/copilot-in-sharepoint/get-started-with-agents-in-sharepoint
  • Manage access to agents in SharePoint: learn.microsoft.com/sharepoint/manage-access-agents-in-sharepoint
  • MC1193415 en roadmap-ID 515465 voor SharePoint-agents in de Teams-store

Flexibele secties krijgen hulplijnen

In februari 2025 kregen we flexibele secties in SharePoint. De reactie was vrijwel unaniem enthousiast. Eindelijk konden redacteuren webparts neerzetten waar ze wilden, ze schalen, ze over elkaar heen leggen. Geen vaste kolommen meer.

Anderhalf jaar later is de praktijk genuanceerder. Veel redacteuren hebben het één keer geprobeerd en zijn teruggegaan naar de vertrouwde drie kolommen. Niet omdat de functie niet werkt, maar omdat vrijheid zonder houvast lastig is. Je bouwt iets op een breed scherm, het ziet er goed uit, en op een telefoon of in een e-mail valt de compositie uit elkaar.

Deze maand rolt Microsoft verbeteringen uit die dat aanpakken. Ze zijn in de aankondiging beschreven als een gebruiksverbetering. In de praktijk raken ze iets breders: wie in jouw organisatie bepaalt hoe een pagina eruitziet, en wie controleert of hij nog leesbaar is voor iedereen.

Waar we vandaan komen

Een flexibele sectie laat de kolomstructuur los. In plaats van één, twee of drie kolommen krijg je een raster waarin je webparts vrij plaatst. Je kunt ze schalen, over elkaar heen leggen en groeperen zodat ze samen bewegen.

Twee beperkingen die vanaf het begin gelden en die vaak vergeten worden:

Niet elk webpart schaalt vrij. Tekst, Afbeelding en Bestand en media kun je op vrijwel elke breedte zetten. Kaartgebaseerde webparts zoals Snelkoppelingen, Personen en Hero hebben vier vaste breedtes: volledig, tweederde, de helft en een derde van het canvas. Aangepaste SPFx-webparts krijgen standaard diezelfde vier opties.

Op mobiel en in e-mail wordt het altijd één kolom. Overlappende webparts bestaan daar niet. Ze worden onder elkaar gestapeld. In de sectie-eigenschappen kies je in welke volgorde dat gebeurt: van boven naar beneden, of van links naar rechts.

Die tweede beperking is precies waar de meeste teleurstelling zat. Je ontwerpt in twee dimensies, maar de helft van je lezers krijgt één dimensie te zien.

Wat er nu verandert

De aankondiging staat in het Message Center onder MC1446804 en op de roadmap onder ID 567889. De uitrol is wereldwijd, begon medio augustus 2026 en zou eind augustus afgerond moeten zijn. Er is geen actie van beheerders nodig. De functies verschijnen vanzelf.

Drie dingen veranderen.

1. Hulplijnen voor de indeling

In het sectievenster, onder het tabblad Indeling, kies je nu een hulplijnindeling. De opties heten precies zoals de kolomindelingen die je al kent: Geen, Eén kolom, Twee kolommen, Drie kolommen, 1/3 links, 1/3 rechts. Nieuwe webparts lijnen standaard uit op de breedte van die hulplijn. Je kunt daarna nog steeds alles verplaatsen en schalen.

Dat klinkt als een uitlijnhulp. Dat is het niet helemaal. De toelichting in de interface zegt dat de hulplijnen bepalen hoe inhoud wordt verplaatst wanneer de grootte van de sectie verandert. Ze sturen dus het herschikgedrag aan, niet alleen de plaatsing tijdens het bewerken. Samen met de bestaande instelling voor mobiel en e-mail bepaal je daarmee vooraf hoe je ontwerp zich gedraagt op een scherm dat je niet hebt getest.

Dat is het echte verschil met de situatie van anderhalf jaar geleden. Toen was responsief gedrag iets wat je achteraf controleerde in de preview. Nu is het iets wat je vooraf instelt.

2. Raster permanent zichtbaar

Er komt een schakelaar in de opdrachtbalk waarmee je raster en hulplijnen zichtbaar houdt tijdens het bewerken. Daarnaast is er een instelling op paginaniveau voor hetzelfde.

Tot nu toe verschenen de hulplijnen pas op het moment dat je een webpart begon te slepen. Je moest dus iets verplaatsen om te zien of het al goed stond. Klein ongemak, maar het verklaart waarom veel redacteuren het gevoel hadden dat ze aan het gokken waren.

3. Een bestaande sectie omzetten

Dit is de meest onderschatte van de drie. Je kunt een bestaande standaardsectie omzetten naar een flexibele sectie vanuit het eigenschappenvenster van die sectie. De kolomindeling en de plaatsing van de webparts blijven daarbij behouden.

Waarom dat telt: tot nu toe was experimenteren met flexibele secties gelijk aan opnieuw beginnen. Je bestaande nieuwspagina of afdelingspagina moest je van voren af aan opbouwen. Dat is precies de reden waarom veel redacteuren het na één poging lieten zitten. Die drempel verdwijnt.

Eén kanttekening. De documentatie van Microsoft stelde tot nu toe expliciet dat wisselen tussen flexibele en andere sectietypen niet wordt ondersteund. De aankondiging beschrijft alleen de richting standaard naar flexibel. Over de weg terug staat niets. Ga er voorlopig van uit dat conversie eenrichtingsverkeer is en test het op een kopie voordat je het op een gepubliceerde pagina doet.

Het punt dat in geen enkele aankondiging staat

Hier wordt het interessant voor wie verantwoordelijk is voor digitale toegankelijkheid.

In een flexibele sectie volgen de leesvolgorde en de tabvolgorde niet de positie op het canvas. Ze volgen de volgorde waarin de webparts zijn toegevoegd. Dat is meerdere keren gemeld door mensen die het hebben getest, ook in de reacties onder Microsofts eigen aankondiging van de functie.

Wat dat betekent in de praktijk: je kunt een pagina bouwen die er visueel logisch uitziet en die voor een schermlezer of iemand die met het toetsenbord navigeert in een willekeurige volgorde wordt voorgelezen. De blokken staan visueel netjes van links naar rechts, maar worden voorgelezen in de volgorde waarin de redacteur ze toevallig heeft neergezet.

Voor overheden en zorginstellingen raakt dat direct aan verplichtingen. WCAG 1.3.2 gaat over betekenisvolle volgorde, 2.4.3 over focusvolgorde. Beide zijn niveau A. Dit is geen theoretisch risico.

De conversiefunctie maakt dit relevanter dan het was. Een omgezette sectie erft de volgorde van de oorspronkelijke kolommen, en die was waarschijnlijk correct. Maar zodra een redacteur daarna dingen gaat verslepen, kunnen kijkvolgorde en leesvolgorde uit elkaar lopen zonder dat iemand het merkt. Precies de handeling die deze update makkelijker maakt.

Dit is geen reden om flexibele secties te vermijden. Het is wel een reden om de test in je werkwijze op te nemen. Doorloop de pagina één keer met de Tab-toets voordat je publiceert. Als de focus van links onder naar rechts boven springt, klopt de volgorde niet.

Wat dit betekent voor je afspraken

De hulplijnen zijn een instelling per sectie. Niet per pagina, niet per site. Dat betekent dat consistentie tussen pagina’s niet vanzelf ontstaat.

Grofweg zijn er twee routes, met verschillende kosten.

Vooraf vastleggen. Je bepaalt welke hulplijnindelingen passen bij welk paginatype, legt dat vast in paginatemplates en sectietemplates, en informeert je redacteuren voordat ze de nieuwe knoppen zien verschijnen. Kost tijd en overleg. Levert eenheid op en een pagina die er over twee jaar nog steeds uitziet zoals bedoeld.

Achteraf bijsturen. Je laat het gebeuren, kijkt wat redacteuren ermee doen en corrigeert waar het misgaat. Kost minder voorbereiding. Levert meer variatie op, en de kans dat je pas bij een toegankelijkheidsaudit ontdekt wat er is ontstaan.

Welke route past, hangt af van hoeveel redacteuren je hebt, hoe lang je pagina’s blijven staan en of je onder de toegankelijkheidsverplichting valt. Bij tien redacteuren en een handvol pagina’s is bijsturen prima werkbaar. Bij tachtig redacteuren verspreid over veertig afdelingssites is dat een ander verhaal.

Wat in beide routes helpt: een paginatemplate is een sterker sturingsmiddel dan een richtlijn in een document. Redacteuren lezen zelden documentatie. Ze pakken wat er klaarstaat.

Wat je deze maand zou kunnen doen

Een paar concrete stappen, in volgorde van moeite.

Controleer of de functies in je tenant staan. Open een testpagina, klik op een sectie en kijk of je onder Indeling de hulplijnopties ziet.

Test de conversie op een kopie van een bestaande pagina. Kijk wat er met de plaatsing gebeurt, en controleer daarna de mobiele en e-mailweergave via de preview.

Loop één bestaande flexibele sectie door met de Tab-toets. Als je er al hebt, weet je binnen een minuut of je een probleem hebt.

Informeer je redacteuren. Er is geen adminactie nodig, dus zij zien dit vanzelf verschijnen. Een korte uitleg vooraf voorkomt tickets en experimenten op gepubliceerde pagina’s.

Kijk je huidige richtlijnen na. Als daar staat welke kolomindelingen zijn toegestaan, klopt dat document niet meer.

Tot slot

Microsoft heeft hier iets gedaan wat vaker zou mogen. Niet een nieuwe functie toevoegen, maar een bestaande functie voorspelbaarder maken. Flexibele secties waren krachtig en onhandelbaar. Ze worden nu krachtig en stuurbaar.

De vraag die overblijft is niet technisch. Meer ontwerpvrijheid betekent meer manieren waarop pagina’s van elkaar gaan verschillen. Of dat een probleem is, hangt af van wat je intranet moet zijn. Een verzameling afdelingspagina’s die elk hun eigen karakter mogen hebben, of één herkenbare omgeving waarin een medewerker altijd weet waar hij kijkt.

Dat is een keuze die je maakt voordat de knoppen verschijnen, of eentje die je achteraf terugdraait.


Bronnen

  • Message Center MC1446804, SharePoint Pages: Flexible Section Authoring Improvements, 4 augustus 2026
  • Microsoft 365 roadmap ID 567889
  • Microsoft 365 roadmap ID 395213 (introductie flexibele secties, uitrol afgerond april 2025)
  • Microsoft Support: Secties en kolommen toevoegen aan een moderne SharePoint-pagina
  • Microsoft Tech Community: Introducing flexible sections in SharePoint Pages and News, inclusief reacties over tab- en focusvolgorde
Afbeelding weergeven

Wat moet je regelen voordat SharePoint je bestanden archiveert?

Microsoft 365 Archive kan sinds kort losse bestanden archiveren in plaats van hele sites. Pieter Kops schreef daar een helder stuk over: wat het is, hoe het werkt en wat het scheelt in opslagkosten. Dat ga ik hier niet overdoen.

Dit artikel gaat over de vraag die daarna komt. Je hebt het gelezen, je ziet de besparing. Alleen: sinds file-level archiving algemeen beschikbaar is, uitgerold in juli 2026, staat de functie standaard aan op je SharePoint-sites. De vraag is dus niet meer “hoe zet ik het aan”, maar “wat had ik geregeld moeten hebben voordat het aanstond, en waar wil ik het juist uitzetten?”

Want file-level archiving is een schakelaar met een verrassend grote kring van betrokkenen. Niet alleen de beheerder, maar ook de site-eigenaar, de redacteur van het intranet en de collega die volgende week een oud bestand zoekt dat ineens “gearchiveerd” blijkt.

Wat is file-level archiving in het kort?

Een gearchiveerd bestand blijft in SharePoint staan, maar verhuist naar een goedkopere opslaglaag. Het is dan niet meer direct te openen, telt niet meer mee voor Copilot en blijft wel vindbaar via Purview Content Search en eDiscovery. Wie leesrechten heeft kan het gratis heractiveren: recent gearchiveerde bestanden komen vrijwel direct terug, bij oudere bestanden kan het tot 24 uur duren (bij grote mappen langer), waarna het 120 dagen niet opnieuw gearchiveerd kan worden.

Dat laatste getal kom je in andere bronnen soms anders tegen. Microsoft Learn noemt 120 dagen. Houd dat aan.

File-level archiving staat standaard aan

In de public preview stond de functie nog standaard uit. Sinds de algemene beschikbaarheid is dat omgedraaid: op elke SharePoint-site waar Microsoft 365 Archive actief is, staat file-level archiving standaard aan. Je hoeft niets te doen om het te laten werken. Je moet juist iets doen om het tegen te houden.

Dat regel je per tenant of per site met PowerShell:

Set-SPOTenant -AllowFileArchive $false
Set-SPOSite -Identity <site_url> -AllowFileArchive $false

En voor sites die je in de toekomst aanmaakt:

Set-SPOTenant -AllowFileArchiveOnNewSitesByDefault $false

Zet je het op $false, dan kan er niets nieuws meer gearchiveerd worden. Bestanden die al in het archief staan, blijven gewoon te heractiveren.

Zolang het aanstaat, kan iedereen met bewerkrechten op een bibliotheek een of meer bestanden selecteren en op Archiveren klikken. Geen goedkeuring, geen extra rol. Dezelfde rechten die iemand nodig heeft om een bestand te bewerken, zijn genoeg om het in de koelkast te zetten. En iedereen met leesrechten kan het er weer uit halen.

Dat is de kern van het governance-vraagstuk. De techniek is bewust laagdrempelig gemaakt en staat inmiddels standaard aan. De vraag is of jouw organisatie daar klaar voor is.

Vraag 1: weet je wat je hebt?

Een gearchiveerd bestand zonder metadata is geen opgeruimd bestand. Het is een bestand dat je kwijt bent. Je vindt het alleen terug als je weet dat het bestaat, in welke site het stond en hoe het heette.

Daarom begint dit onderwerp bij Purview, niet bij Archive. Retentielabels vertellen wat een document is en hoe lang het relevant blijft. Een projectdossier dat na afronding twee jaar bewaard moet worden, een campagneplan dat na de campagne klaar is, een beleidsdocument dat pas vervangen mag worden als de nieuwe versie is vastgesteld. Zonder die afspraken is archiveren een gok op basis van datum.

Heb je die labels nog niet? Dan is dat de eerste stap. Niet omdat archiveren anders technisch mislukt, maar omdat je anders over een jaar niet meer weet wat je in de archieflaag hebt liggen en waarom.

Vraag 2: wie mag archiveren, en waar zet je het uit?

Nu de functie standaard aanstaat, is dit geen theoretische vraag meer. Iedereen met bewerkrechten kan het al. De keuze die je bewust maakt, is waar je dat wilt toestaan en waar niet.

Optie A: site-eigenaren doen het zelf. Laat file archive aanstaan op de sites waar de eigenaar zijn bibliotheek kent en periodiek opruimt. Snel, dicht bij de inhoud, weinig centrale last. Het risico: verschillende sites hanteren verschillende maatstaven, en niemand heeft overzicht.

Optie B: archiveren is een centraal proces. Zet het uit op de sites die er nog niet klaar voor zijn, en laat een beheerder of informatiemanager archiveren op basis van labels of ouderdom, met een vast ritme. Consistent en controleerbaar. Het risico: het wordt een klus die op de stapel blijft liggen, en de site-eigenaar voelt zich er niet verantwoordelijk voor.

Wat je ook kiest: begin met een paar sites, niet met de hele tenant. De schakelaar op siteniveau bestaat precies hiervoor. En zet hem uit op de plekken waar een verdwenen bestand meteen pijn doet, zoals je intranet en je publicatiebibliotheken, tot je die bewust hebt ingericht.

Vraag 3: wat merkt de intranetredactie?

Dit is de vraag die ik in de meeste artikelen mis, en voor wie het intranet beheert is het de belangrijkste.

SharePoint-pagina’s, de Site Assets-bibliotheek, OneNote en SharePoint-agents kunnen niet op bestandsniveau gearchiveerd worden. Dat klinkt geruststellend. Maar een pagina verwijst vaak naar documenten in een gewone bibliotheek: de handleiding onder een knop, het formulier achter een link, de PDF in een quick links-webpart. Archiveert een collega dat bestand, dan werkt de pagina nog, maar de lezer klikt op een link en krijgt een bestand dat eerst geheractiveerd moet worden. En dat is geen kwestie van seconden: heractiveren kan tot 24 uur duren.

Voor Copilot geldt iets vergelijkbaars. Gearchiveerde bestanden vallen buiten het bereik van Copilot. Dat is precies de bedoeling bij oude troep. Het is minder fijn als het bestand een bron was voor een SharePoint-agent die de redactie heeft ingericht. De agent zelf blijft staan, de bron valt weg.

En dan de apps. Niet elke client laat even duidelijk zien dat een bestand gearchiveerd is. Microsoft schrijft zelf dat sommige apps geen duidelijke indicatie geven, en dat de SharePoint-site of OneDrive in de browser de betrouwbaarste plek is om de archiefstatus te zien en een bestand te heractiveren. De ondersteuning per client, van de webversies van Office tot de Teams-app, de mobiele apps en de synchronisatieclient, verschuift bovendien nog. Test in je eigen tenant hoe een gearchiveerd bestand zich gedraagt in de apps die jouw mensen dagelijks gebruiken, voordat je de redactie iets belooft.

Vraag 4: wat betekenen die 120 dagen voor je ritme?

Heractiveren is gratis. Maar een geheractiveerd bestand kan vier maanden lang niet opnieuw gearchiveerd worden.

In de praktijk betekent dat: te vroeg archiveren kost geen geld, wel irritatie. Een collega heractiveert een bestand om er één ding in op te zoeken, en het staat daarna een kwartaal lang weer in de actieve laag. Bij tien bestanden merk je dat niet. Bij een bibliotheek van tienduizend wel.

Een opruimritme per kwartaal, gekoppeld aan je retentielabels, past beter bij die 120 dagen dan ad-hoc archiveren op het moment dat iemand ruimte tekortkomt.

En de kosten dan?

Kort. Archiefopslag kost $0,05 per GB per maand, tegenover $0,20 per GB per maand voor gewone opslag boven je quota. Je betaalt alleen voor wat je quota overschrijdt. Blijf je eronder, dan kost archiveren niets. Facturatie loopt pay-as-you-go via het Microsoft 365 admin center, niet via Azure.

Dat betekent ook: de business case hangt af van je situatie. Zit je ruim onder je quota, dan is de winst geen geld maar minder ruis in zoeken en Copilot. Dat kan een prima reden zijn. Het is alleen een andere reden, en die verdient een ander gesprek met je organisatie.

Waar ik op zou letten

Drie dingen, en het eerste is geen techniek maar een afspraak.

Leg vast wanneer iets het archief in mag. Ouderdom alleen is een slechte maatstaf. Koppel het aan status (afgerond, vervangen, verlopen) en leg dat vast in labels voordat iemand op Archiveren klikt.

Zet het bewust uit waar je nog niet klaar bent. De functie staat standaard aan, dus niets doen is ook een keuze, alleen niet een die je hebt gemaakt. Begin met een pilot op een paar sites en houd het uit op je intranet tot je weet hoe het zich gedraagt.

Vertel de redactie wat er verandert. Zij zijn de eersten die een kapotte link of een verdwenen agentbron opmerken. Neem ze mee voordat de eerste site live gaat, niet erna.

Tot slot

File-level archiving is een goede toevoeging. Het lost een echt probleem op: oude bestanden die kosten, ruis geven en Copilot op het verkeerde been zetten.

Maar de schakelaar is het makkelijke deel, en die staat nu standaard aan. De afspraken eromheen bepalen of je straks een opgeruimde omgeving hebt, of een archieflaag waarvan niemand meer weet wat erin zit.

Loop je hier tegenaan in je eigen organisatie? Laat het weten, ik denk graag mee.

Bronnen: Overview of Microsoft 365 Archive, Manage Microsoft 365 Archive, End user experience in Microsoft 365 Archive en Pricing model for Microsoft 365 Archive op Microsoft Learn; File-level archiving comes to Microsoft 365 Archive, Microsoft Tech Community. Aanleiding: File-level archiving in Microsoft 365: minder ruis, lagere kosten van Pieter Kops.